De bedoeling is dat ik vandaag via autosnelweg tot in Grenoble geraak, en daar de Vercors induik om de Gorge de la Bourne en de Cirque du Combe Laval verken, om via de Col de Rousset de Vercors te verlaten, en me ergens tussen Die en Gap een slaapplaats zoek.
Kortom, een hele boterham dus, een hele afstand ook. De GPS zegt dat ’t net over de 1000km zal zijn, waarvan een kleine 850 over de autosnelweg
Rond de zessen vertrek ik dan, de GS is gepakt, zij ’t dan wel heel licht. In de linker zijkoffer steekt een beetje kledij, en wat gereedschap en een bandenpomp. De rechter zijkoffer zit dan weer propvol met m’n warme Richavest. ’t Idee is nml. om zowel bij de heen- als bij de terugreis via de bergen te gaan, en in september zou ’t wel al is kouder kunnen zijn.
M’n tanktas zit naar gewoonte vol met fotogerief, en wat reservesjaaltjes. De zijtassen bevatten dan weer de regenkledij, en wat extra drinken voor onderweg.
De (mini)tent zit, samen met de slaapzak, en een rolmatraske in m’n bagagerol, die weliswaar groot in volume is, maar nog geen 5kg weegt, en hangt in de plaats van de topcase achterop gebonden.
Soit, voor zover ’t technische gedeelte, daar ga ik ulle niet langer mee vervelen.
Eens onderweg is ’t redelijk fris, ben content dat ik m’n Phasevestje, en m’n fleece onder de Rallyvest heb aangedaan, want ‘k heb geen overschot zulle. Zit zelfs ff te denken om m’n Richavest nu al te benutten, maar da’s weer van ’t goede te veel me dunkt.
Ter hoogte van Wanlin stop ik, naar goede gewoonte om een taske koffie te drinken, kwestie van terwijl ook ff op te warmen. Wel is ’t mooi weer, de nog altijd donkere hemel laat de sterrekes in vol ornaat fonkelen, en vanop m’n linkerkant is de hemel ondertussen al bleekblauw aan ’t kleuren, ’t zonneke is aan ’t opkomen.
Onderweg naar Luxemburg geniet ik dan ook van een schitterende zonsopgang, die de lagen nevel hier en daar doet verdwijnen.

Eens aan de grens is ’t mooie weer ff voorbij, Luxemburg ligt in dikke nevel en mist gehuld, zo erg zelfs dat ’t fillefilteren is over de gehele lengte van de grens tot aan de afslag naar Frankrijk
Aan Aire de Berchem ’t beestje voor de eerste keer volledig vol gegoten met ’t dure nat, en een sandwichke met hesp naarbinnen gespeeld.

Vandaar gaat ’t dan, aan een redelijk vlot tempo verder tot een dikke tweehonderd km verder, daar wordt ’t zelfde ritueel nogmaals overgedaan.
Eveneens doe ik daar een klapke met enkele Franse motards, deze vragen me of ik ook onderweg ben naar de Bol d’Or. Ik vertel hen dat ik nog tot onder de Vercors moet rijden, maar daar hebben zij, Fransman zijnde, nog nooit van gehoord
Rond een uur of één in de namiddag moet ik voor de derde keer tanken, nu net voor de ring rond Lyon.
Wederom ’t zelfde ritueel, tank volgieten, benen ff strekken, iets eten en drinken (ne Camelbag is op de autosnelweg nie echt zo’n handig ding zulle), en terug verder bollen, richting ring rond Lyon en de autosnelweg naar Grenoble. ’t Zou van hieruit nog zo’n 170km moeten zijn, tanken dus alvorens de autoroute te verlaten.
Iets na drieën verlaat ik dan ook, na m’n laatste tankstop voor vandaag, en zo’n 850km de autosnelweg, op naar de Vercors
De eerste bochtjes vallen tegen, ff m’n rijstijl aanpassen na al bijna een ganse dag gewoon rechtdoor te rijden. Anderzijds, ik jaag me niet op, ben niet gehaast, en alleen zijnde moet ik met niemand rekening houden.
De bedoeling is om zeker tot Die te geraken, en verder zien we wel.
In Villard-de-Lans neem ik de baan naar de Gorge de la Bourne, enkele maanden geleden nog volledig afgesloten voor renovatiewerken, nu echter geopend maar voorzien van een hier en daar gladde laag kiezeltjes. Renovatie puur op z’n Frans dus
Ik rij echter op m’n gemak, geniet van ’t prachtige uitzicht, stop af en toe als ik denk een mooie fotomogelijkheid te zien, kortom, ongehaast genieten


Na de Gorge de la Bourne neem ik links, richting Cirque du Combe Laval, nog zo’n prachtige baan, uitgehouwen uit de rotswand.
Ach, de foto’s zeggen meer dan ik verwoorden kan...


Na hier wat rondgeslenterd te hebben rij ik verder, nu naar de Col de Rousset. Die heb ik in mei ll. Nog gedaan, en is echt een aanrader in de regio, zowel qua rijplezier als qua fotogehalte.

Boven, met ’t zicht op de mooie afdaling richting Die raak ik aan de klap met een Fransman. Een aangename kerel, die me verteld dat hij, en z’n vrouw, die de gehele tijd in de camper blijft verscholen, hier jaarlijks komen wandelen, hij kent de streek door en door, en is onder de indruk van mijn kennis v.d regio. Ik vertel ‘m over de Col de Menée, en dat ’t mijn eerste bergpas met de moto was, en de keer dat ik per ongeluk in Mens naar rechts ging, en terug op dezelfde weg uitkwam, de man vertelt dan weer enkele van zijn anekdotes, en zonder ’t goed en wel te beseffen ben ik een uur aan ’t leuteren.
’t Is bijna 18u, ik neem afscheid van de beste kerel, moet zelfs nog een natje en droogje afwimpelen, en geniet van de prachtige, kronkelende weg naar beneden.
In Die besluit ik om nog wat verder te gaan, uiteindelijk stop ik in Luc-en-Diois, op een bijna verlaten camping. De man begint te lachen als ik ‘m vraag of er soms nog plaats over is voor een motard met een kleine tent.
Een kwartier later staat m’n tentje recht, en is ’t zelfs al ingericht, voor zover dat nodig is.

Ik neem een verfrissende douche, vanaf Lyon was de temperatuur constant meer dan 24°C, en kleed me om, ik bemerk dan weer dat ik m’n sandalen terug vergeten ben, dju, dan maar met m’n lompe botten, en in bermudashort ’t dorp intrekken op zoek naar iets eetbaars.
De enkellingen die me aanschouwen bekijken me alsof ik “een vijs kwijt ben”, ik kan toch moeilijk op m’n kousen naar ’t dorp stappen hé.
Op een pleintje zie ik een omgebouwde campingcar staan, die pizza’s bakt. Ik bestel er me een, samen met iets dat op een Vietnamese loempia trekt, en daar een “Nème” heet.
Terug op de camping constateer ik dat lekker eten niet uit een campingkot komt, anderzijds, ’t is warm, en m’n honger is gestild, meer vraag ik op ’t moment niet.
Vermits er buiten mij zo’n 2’n halve campingcar en een vierde van een tent op gans diene camping staat, en sociale interactie dus zo goed als onbestaande is kruip ik tegen 21u reeds in m’n slaapzak. Blijkbaar zitten de 1012 afgelegde km’s dieper dan ik dacht, want een tiental minuten later ben ik in slaap gevallen.

Zaterdagochtend, de wekker stond op 08u00, niet dat ’t nog ver rijden is, maar ‘k ga vandaag wel de Parpaillon over, en daarom liever ietske vroeger vertrekken.
Na een uurke vanalles doen is m’n tentje opgebroken, m’n boeltje volledig gepakt, en verlaat ik de eenzame en stille camping, op weg naar Gap.
Eerst moet ik de Col de Cabre over, een niet echt hoge verbindingscol op een redelijk brede, en waarschijnlijk meestal drukke weg, maar vandaag, op dit vroege uur ben ik zo goed als alleen onderweg, tof, en de mooie bochtjes laten zich sportief berijden, ’t is nog vroeg, maar ’t tempo zit er al in
Bovenop de Col schijnt de zon me tegemoet, met een mooi zicht op de met groen en bruin begroeide beboste bergzijdes.

Trouwens, net voorbij Luc ben ik nog een leuk stukje natuur tegengekomen, nml. de “Saut de la Drôme”, waar de rivier zich ff door een hoop opgegooide rotsblokken moet wringen, om dan enkele meters dieper te vallen, best een leuk zicht zo vroeg op de ochtend.

Zo’n uurke later doe ik een tankstop in Gap, de bazin vertelt me dat ’t prachtig weer wordt, en dat ’t nog enkele dagen zal blijven duren zo. Prima!
Vanuit Gap is ’t dan richting Savinnes-le-Lac, om daar rechtdoor te rijden naar Embrun. Onderweg, ik weet ‘t, nie veilig maar wél handig, typ ik La Chalp in de Gps, ’t laatste dorpke voor de echte steenpiste op de Parpaillon, zodoende rij ik een stuk naast de Durance, en zie ik Embrun vanop een afstand op z’n rotsen liggen. Indrukwekkend zicht.


Soit, ik rij omhoog, langs enkele smalle wegskes, om uiteindelijk de juiste baan naar boven te nemen, de Gps heeft gewoon een klein stukje afgesneden. Onderweg vraag ik aan een locale boer of de tunnel boven nog altijd open, hij antwoord bevestigend, en wenst me een goeie reis, vriendelijke kerel.
Enkele km voorbij La Chalp begint de echte steenpiste, en ze is direct al steviger dan wat ik me van de oostkant kan herinneren. Sommige stukken doen de GS wat links en rechts springen, maar ’t blijft allemaal goed doenbaar, ‘k moet wel rechtstaan, anders zou m’n gat nogal afzien me dunkt.
Na enkele minuten rij ik een bos in, de schaduw en hevige zonnestralen wisselen elkaar aan sneltempo af, ‘k heb bijna zo’n strobo-effect, lastig zulle.
Weer enkele km’s verder moet ik stoppen, een kudde schapen is lustig bezig de weg over te steken, enkele enduristen staan reeds te wachten, en ik stop net achter hen.

Ze bekijken me, ik wordt bijna ontleed door hun allen. Bizar.
De achterste komt tot bij me, en vraagt of ik alleen ben, ik antwoord van “Oui”, hij bekijkt m’n bepakte GS, en m’n all-roadbanden, en vraagt of ik tot boven wil gaan, ik antwoord van “Oui”, hij bekijkt de GS nogmaals en vraagt of ik tot aan de tunnel wil rijden, en misschien zelfs erdoor wil, ik antwoord van “Oui”. De kerel draait zich om, roept ’t één en ’t ander naar z’n kompanen, en gaat hoofdschuddend terug naar z’n gepimpte KTM Enduro 450.
Ik begin ff te twijfelen, denk van “waar ben ik nu weer aan begonnen”, maar volhard in de boosheid, ik zal ’t onderweg wel zien.
Onedertussen is de piste vrijgemaakt van wol en geblaat, ’t herderinneke zegt ons van direct verder te rijden, want ietske verder gaat ze nogmaals de piste kruisen, en kunnen we daar weer een half uur wachten.
De gasten op hun enduro’s stuiven weg, een minuut later hoor ik enkel nog wat 2taktgeknetter in de verte, ik rij rustig m’n tempo, in tweede op ong 1500rpm, en geniet van de mooie klim naar boven. Als ik de bomen verlaat zit ik plots in een bijna steppe aandoende grasvlakte, waar de piste als een lint doorkruipt, prachtig gewoon.

De kerels op hun enduro’s zitten iets verder te eten, ik passeer ze en krijg van allen een duim omhoog. Vind ik wel leuk, maar doet me denken dat zij nog nooit met een GS gebold hebben, anders zouden ze beseffen dat dit eigenlijk een makkie is, ondanks de bepakking (die veelvuldig is, maar eigenlijk twee keer niks weegt).
Tijdens de rit naar boven ben ik natuurlijk verplicht om af en toe enkele foto’s te schieten, al was ’t maar om dit desolate maar o zo mooie landschap in beeld te brengen.


Ik zit me ondertussen al enkele minuten af te vragen waar dienen tunnel nu is, en net als ik ’t niet verwacht komt hij vanachter de hoek gekropen, de open tunnelmond v.d westelijke zijde.

Whoaw, ondanks de foto’s, en de info allerhande is ’t toch ff kijken en inschatten, er is nml. sprake van risico’s op ijsplekken, en diepe moddersporen en dito plassen. Niet iets wat je als eenzaat hierboven wil meemaken, maar toch, de tunnel moet eraan.
Bij ’t binnenrijden zie je de andere kant niet, de tunnelkoker is lichtjes bol gemaakt, anders zou ’t binnensijpelende water zich in ’t midden verzamelen, en dan was ’t zeker géne koekenbak.

Na een 80m zie je plots aan de overkant de uitgang reeds, ook verdwijnt hier de binnenbekleding en zie je gewoon de kapot geslagen, en weg gedynamiteerde koker, brrrr, om ’t met Big Mike’s woorden te zeggen “de gezeligheid van een mijnschacht”.

Net voor ’t einde moet ik nog een plas van z’n 7 à 8m door, ach, niet twijfelen, gewoon doorrijen, en ’t lukt dan ook zonder enig geglij of gevloek. Nochthans, net als ik m’n Wünderlich lampekes echt kan gebruiken vallen deze toch niet uit zeker, de relais slaat reeds enkele weken tilt.
Desondanks, ik ben er héél gemakkelijk door geraakt, en sta dan ook tevreden te wezen aan de oostkant van de tunnel.

’t Gebruikelijke fotooke op de tunnel zelf is niet gelukt, de hoop puin en gesteente net naast de tunnel waar men moet oprijden lag me wat onstabiel, en op m’n eentje ga ik ’t lot niet tarten. Zal voor een volgende keer zijn

De piste naar beneden is wel makkelijker dan de andere kant, ook zie ik nu duidelijk dat we, als Alplutsers in mei ll., tot op ong. 3km v.d tunnel zaten, ik herken zelfs de steenhoop waar we onze groepsfoto hebben gemaakt.

Tijdens de tocht naar beneden passeer ik enkele marmotten, rij bijna over éne zijne kop, die was ewa traag van begrip, en ikke traag van ‘m op te merken.
De verdere tocht naar beneden is prachtig, en uitermate goed te rijden, zelfs een RT kan dit, wel ééntje met een ervaren piloot, maar toch...

Beneden, in La Condaminne, rij ik terug de grote baan op, in Jausiers stop ik ff, om te eten en ook om te besluiten wat ik nu ga doen, m’n eerste gedacht deze ochtend was om de Bonette nog is te doen, of de Cayolle, echter, ’t is ondertussen al serieus warm aan ’t worden, ik ga gewoon via de Allos, Castelanne en Draguignan tot op m’n bestemming rijden, en wat gaan afkoelen in ’t zwembad aan de villa.
Maar zover zijn we nu nog niet, eerst nog de Allos over, beginnende met de nauwe, ietwat gevaarlijke noordkant, altijd spannend dienen Allos.
Op de top rij ik gewoon door, da’s niet van m’n gewoonte, maar ik heb ‘m ondertussen wel al gezien, dus bollen we maar verder, nu langs de brede en snelle zuidzijde, met naast me de rivier Verdon, die ik nog enkele keren ga zien, tot aan Pont-de-Soleils. Net na St. André-les-Alpes verwacht ik ’t Lac de Castillon te zien, echter, ’t enige wat ik de eerste km’s zie is een uitgedroogde bedding, met in ’t midden nog wat vochtige modder.

Pas als ik bij Pont St. Julien de brug overga is er sprake van water, ik schat de stand zo’n volle 6 tot 8m lager dan normaal. Onderweg, langs de oever is ’t verschil duidelijk te zien, ff verschieten

In Castelanne, aan de Total, want de Leclerc was gesloten, tank ik nog is, anders wordt ’t mogelijk krap, en ik heb tijd met hopen. Vanuit Castelanne is ’t weer de Verdon volgen, soms door een nauwe kloof, ’t is plezant rijden hier
Daarna verder richting Comps, door ’t militair kamp, via de korte maar mooie Gorge de Chateaudouble naar Draguignan, en zo tot Les Arcs. Rond 15u30 sta ik aan de villa, en nog enkele minuten later lig ik in ’t zwembad, zalig gewoon.


Twee toffe dagen, al is ’t gebrek aan een “partner in crime” wel groter dan ik dacht, soit, dat weten we nu ook weer. Soms is een klapke kunnen doen, en de ervaringen van onderweg kunnen delen is blijkbaar meer dan zomaar wat “klap na de vaak”.
Grtz, Philip!
P.S: De terugreis volgt nog


























