YOO
Dag 6, Jafferau, Granon en een beetje geluk bij ’t ongeluk...
Op een deftig uur opstaan, we hebben vandaag enkele leuke dingen gepland.
Ten eerste moeten we naar ’t stad, daar is ergens, rechtover de McDo, nen outdoorwinkel, en daar gaan we slaapmattekes kopen. Gelukkig zijn er ook goedkope mattekes, mijn Thermarest ligt thuis, en ‘k ga me geen tweede kopen, daarvoor zijn die dingen te duur.
Bart dan weer, die koopt zich wel een Thermarest, gaat ’t zich niet beklagen.
Allé, vanavond gaan we deftig slapen, ’t zal nekeer tijd worden.
Nu, gaan tanken. Moet soms is gebeuren. Vermits we nu toch in Briançon zitten gaan we de dag beginnen met de klim naar de col du Granon. Een minder bekende bergpas, net buiten Briançon, maar wel eentje die doodloopt. De opengestelde zijde is volledig geasfalteerd, de andere, verboden zijde, is een mooie steenslagpiste die je via ’t dorpje Granon naar de Vallée de la Clarée brengt. Maar da’s dus gereserveerd voor wandelaars, ik denk zelfs dat fietsers persona non grata zijn. Soit, doodlopend dus, maar naar ’t schijnt geeft de top een prachtig zicht op de Barre des Ecrins, het bergmassief ten westen van Briançon.
En dat alleen is al reden genoeg om hier omhoog te rijden. Halverwege de klim, die in Chantemerle begint, maar waarvoor je beter op ’t rond punt in St. Chaffrey al de hoofdbaan verlaat, kan je trouwens de afslag maken naar col de Buffère en col de Cristol. Twee steenslagpistes, die volgens de Duitser te moeilijk liggen om ’t met onze zware GSA’s te doen. Die laten we dan ook letterlijk links liggen, alhoewel de goesting knaagt.
Maar we hebben andere dingen in ’t gedacht vandaag.
De klim is leuk rijden, een smalle maar degelijke asfaltbaan waar je met elke baanmotor naar boven kunt. En eens boven is er idd. een machtig zicht op de omliggende bergen.
Langs de andere kant zie je de verboden steensalgpiste lopen, net onder enkele oude militaire forten.
Toch maar is gaan kijken wat ’t verbodsbord zegt, als ’t enigszins vrij is voor interpretaie wil ik ’t wel erop wagen.
Damn, da’s redelijk duidelijk, nougabollen dus.
Dan maar terug langs de asfaltweg naar beneden, da’s ook geen straf zulle, ’t rijdt plezant, een echt GS-baantje.
Toch maar ff stoppen bij de afslag naar de steenpistes, ‘k ga ze nu niet doen, maar ooit wel, als ik een meer aangepaste fiets heb.
Dus, terug beneden is ’t wederom door Briançon, ik begin hier zelfs al de kleine baantjes om ’t stilstaand verkeer te omzeilen te kennen, en dan de col de Montgenèvre op, en over.
In Montgenèvre, het dorpje op de gelijknamige pas, probeer ik rechts de afslag te herkennen naar ’t fort du Gondran. Nu nog opengesteld voor verkeer, maar er zijn plannen om het hier ook een halt toe te roepen. Met dank aan mensen zoals onze Duitse vriend...
Soit, ik zie niks, ’t is toch niet voor vandaag die piste, veel te zwaren toebak als ik zowel dienen Duits als de Denzel mag geloven.
Langs de Italiaanse kant naar beneden, in Cesana links naar Oulx, en daar de gewone baan op richting Susa en Torino. Onderweg probeer ik iets te vinden om te eten, ’t is rond elf uur, den honger is er nog niet, maar gaat straks wel komen. Dorst hebben we niet, we hebben elk onze Camelbak volgegoten deze ochtend.
Ahja, ’t weer, wel ’t is eigenlijk gewoon zalig, een dikke 20°C, niet zo heet als gisteren dus.
Anyway, we komen niks tegen, ook niet in ’t ontieglijk klein dorpje Salbertrand, dat eigenlijk enkel en alleen gekend is door de afslag v.d grote weg naar het Fort Jafferau.
En die afslag is echt niet makkelijk te vinden, ’t is een klein keuterbaantje dat ge moet opdraaien. Tot aan ’t gehucht Moncellier is ’t nog asfalt, met putten en bulten, daarna is ’t gedaan met slecht asfalt, en is ’t stof happen. Allé, toch voor Bart die tweede rijdt, de piste ligt heel droog, en is voorzien van een stoffige laag kleine steentjes. Het rijdt vlot, zelfs de waterkeringsbulten die quasi dwars over de weg lopen zijn makkelijk te nemen, maar toch blijft ’t concentratie vragen, die steentjeslaag is verraderlijk glad.
Wel biedt de piste ongelooflijk machtige uitzichten, zowel over de vallei, als over de bergrug aan de andere kant v.d vallei. Daar loopt de Assietta route, ik zie zelfs het monument op de Testa Assietta staan, en de skiliften op col Basset.
Ook aan deze kant v.d vallei is ‘t indrukwekkend mooi.
We gaan verder, ’t is nog een lange weg voor we boven zijn. Een stuk verder komen we aan een splitsing. Links loopt de piste naar Monte Pramand, en ik vermoed dat rechtdoor ’t vervolg naar het Fort is. Ik hoop ’t toch, want die richting gaan we uit.
Ik hoop van binnen een km of twee de tunnel te bereiken, dan weet ik dat ik goed zit.
Nog voor de tunnel kom je op fantastisch mooie plaatsen, rechts de rotswand, een meter of drie piste, en dan een afgrond van enkele honderden meters diep. I love it!
Wat verder is er dan de tunnel, aangezien ik net gestopt ben om foto’s te nemen is Bart er al door, als hij ’t niet gehaald heeft zal ik ‘m wel zien liggen zeker.
Ik weet ook niet wat te verwachten in de tunnel, ligt ’t er mooi vlak (I doubt it) en droog (yeah richt), of is ’t hobbelig en nat. We zien wel.
En ja, ’t is hobbelig, kapot gereden betonplaten, modderstukken, en kletsnat. Wat zeg ik, ’t water loopt gewoon als een beek in de tunnel naar beneden, en valt in dikke druppels van ’t plafond uit. Kortom, ’t regent hier binnen.
Bart staat me op te wachten, en zet me op foto.
Een aparte belevenis, vergelijkbaar met de Parpaillontunnel, maar toch niet ’t zelfde. Deze draait onderweg, is bijna twee maal zo lang, en blijft continue stijgen. Of dalen, als ge naar beneden gaat.
Nu moeten we langs deze flank nog tot boven, daar volgen dan nog enkele km’s op de bergrug, om tot aan ’t fort, op de bergtop, te geraken. Althans, zo hebt ik ’t begrepen, info die je dmv. ’t internet overal kan vinden.
Wat verder zie je perfect de piste lopen, dan ’t gedeelte waar de tunnel is, alsook de bekende holen in de rotswand. Prachtig gewoon.
Af en toe zet ik Bart op foto, altijd leuk die actiefoto’s.
Na een minuut of vijf zien we een koppel motards zitten, hij op een dikke GS, zij naast een 650Dakar zittend. Ik vraag ze of ’t gaat, de man antwoord dat z’n vriendin gevallen is, en haar enkel serieus bezeerd heeft. Ze gaan proberen om langzaam naar beneden te rijden. Wij kunnen niets doen, ik wens ze succes en ga verder, behoedzaam, maar dat doe ik al de gehele klim, een ongeluk zit in een klein hoekje.
Wat verder komen we boven op de bergrug, en zien we in de verte het Fort op de gelijknamige bergtop liggen.
Je ziet de laatste km’s v.d piste, die in enkele haarspelden omhoog klautert.
We rijden nog een stukje verder, en stoppen net voor de laatste klim aan de haarspelden. We zien mensen op het fort staan, als kleine speldekopjes groot.
We zien ook enkele motards naar beneden rijden, de eerste gaat vlot, de andere doet ’t heel traag. Eens hij bijna bij ons is zie ik dat hij met een duo rijdt, verklaart veel natuurlijk.
Allé, ’t is aan ons om tot boven te rijden, en te proberen om tot op ’t dak te geraken, da’s mijn doel.
Wat verder begrijp ik waarom die tweede motard zo traag ging, dit laatste stuk ligt slecht, hier en daar heel slecht zelfs, bezaaid met dikke stenen, hier en daar nog de overblijfselen van de aanleg van een soort kasseiweg, die kasseistenen steken dan zo’n dikke 10cm boven de rest uit, vermijden dus, of kans op een kapotte velg. Kortom, ’t lukt wel zulle, maar ’t is genen koekenbak.
We zijn aan ’t fort, en zien, aan de rechterkant, een smal spoor naar boven lopen. Ongeveer zo’n 50cm breed, en geen foutenmarge, zowel links als rechts is ’t een val van enkele meter, om dan de bergflank verder af te stuiteren, niet zonder gevaar dus.
Ach, je leeft maar één keer, ff concentreren, ’t gas voldoende open, en ja, we staan op ’t dak van het fort Jafferau.
Het is gewoon fantastisch, ik voel me bijna Leonardo “I’m on the top of the world!” Dicaprio op den boeg van de Titanic, behalve dat mijn Kate Winslet nen ongeschoren kerel op ne GSA is die ‘k nie ga muilen
En dat ik niet op nen onzinkbare boot sta, die, o ironie, direct gezonken is, maar op een onverzetbaar fort, dat hier hopelijk nog véle jaren mag pronken op deze berg.
Het uitzicht rondom is ongelooflijk, langs de éne kant zie je de piste gedurende enkele km’s lopen, langs de andere kant zie je Bardonechia en de vallei waar de piste naar de Sommeiler loopt.
De Slovenen vertrekken, ze kicken en starten hun pure enduromachines, en stuiven de berg af. Een pak sneller dan wat wij gaan doen, ik vermoed dat hun vering beter bestand is tegen de rotte piste op ’t laatste stuk.
We blijven nog wat staan, we eten een Granny, want da’s zowat ’t enige wat ik mee heb. We moeten dus nog altijd iets voor middageten vinden, en hier boven is niet echt iets te vinden.
Op den duur vertrekken we terug naar beneden, het eerste stuk nog heel behoedzaam, de toch wel moeilijke klim in ’t achterhoofd.
Bizar genoeg gaat de afdaling véle makkelijker dan de klim, en we bereiken al snel de beter liggende piste, eens de haarspelden voorbij. Daar zetten we ons ff opzij voor enkele 4x4’s die komen aangereden, moet ook wel leuk zijn om zo’n piste op hun mannier te beleven.
De afdaling gaat vlot, zonder enige problemen. Wel komen we het Duitse koppel terug tegen, enkele km’s lager dan daar straks. Ik informeer naar hoe ’t gaat, en ’t gaat niet goed.
De vrouw kan niet meer verder, ze vrezen voor een breuk in de enkel. Ze hebben afgesproken met de eigenaar van de Defender dat zij straks mee naar beneden mag. Hoe ze haar Dakar beneden gaan krijgen weet ik niet, maar dat zal hen waarschijnlijk worst wezen dit moment.
Anyway, wij gaan verder naar beneden, zonder ons poten te breken ofzo, en staan op den duur terug in de vallei.
Eens in de vallei gaan we richting Susa, ik wil nl. via de Colle delle Finestre terugrijden. Die bergpas heb ik in 2007 al gedaan, en de laatste 7km voor de top zijn een steenslagpiste. In 2007 lag het steenslag gedeelte er beter bij dan sommige delen asfalt, dus dit is een zacht afsluitertje wat het “off-roadrijden” betreft.
Halverwege de klim stop ik ff, en hoor van Bart dat ik vergeten ben om naar een eetgelegenheid uit te kijken, damn, da’s waar. We zijn dus al van deze ochtend onderweg, zonder een deftig ontbijt, en Bart begint stilaan sterrekes te zien van den honger. Ik niet, ik geniet weer te veel van ’t rijden.
Tja, ‘t zal tot de andere vallei duren eer wen iets gaan vinden, da’s wel zeker.
Soit, de klim, een opeenvolging van korte stukjes rechtdoor, maximum 200m lang, en dan een korte haarspeld, niet echt m’n ding.
Foto 320
Onderweg worden we opgejaagd door twee motards op Japanse nakeds, type CB600F ofzo. Die mannen geven serieus van jetje, ik vind zeker niet dat ik traag aan ’t rijden ben, en zie ze dan weer korter bij komen, dan weer wat terrein verliezen. Wacht maar, eens ’t onverhard er aankomt zal ’t vele minder zijn met die baanmasjientjes.
Aan de overgang van asfalt naar steenslag gekomen staat er een bende motards te wachten, ik zie ook dat ’t verbodsbord van in 2007 verdwenen is. Ik stuif de piste op, om voor eens en voor altijd duidelijk te maken dat een GS in de bergen onverslaanbaar is, maar zo’n 500m, aan één v.d eerste korte bochtjes moet ik al van ’t gas. De piste ligt er domweg slecht bij!
Op de ietwat rechte stukken gaat ’t nog, maar in de haarspelden is ’t op eieren rijden. Dikke, losliggende stenen op de rijlijn, en duidelijk veel sporen van 4x4 voertuigen, die de haarspelden quasi omploegen. Oesje, ietske kalmer aan dus.
Desondanks leg ik er de pees op, elke haarspeld uitkomen is ’t driften, ’t gas open, en de schokbreker die op asfaltwegen staat afgesteld krijgt rake klappen. M’n achterwiel zit meer in de lucht dan op de grond.
’t Is wel kicken, en ondanks dat ik stevig vooruit ga, blijf ik binnen m’n beperkingen rijden. Zolang alles goed gaat natuurlijk.
En dan gaat ’t fout
Ik kom uit een haarspeld. Ik ga naar z’n tweede, en wil een bocht naar rechts aansnijden. Niet te snel, maar wel in tweede versnelling. Op ’t moment dat ik de koppeling loslaat, en ’t gas opendraai, en mezelf al iets naar voren op de motor positioneer (rechtstaand uiteraard) voel ik dat ik niet in tweede zit, maar in neutraal.
Aangezien ik al aan ’t anticiperen was op ’t vermogen dat ging komen zit ik te ver naar voren, het duurt een halve seconde ofzo eer ik m’n evenwicht op de GS hersteld heb. Maar die bocht komt wel akelig dichtbij. En ik zit nog altijd niet in tweede, of zelfs niet eerste, nee, gewoon geen tractie.
Ik besluit om te vertragen, of zelfs te stoppen, en gewoon te hervatten, en dan wordt ’t volgende probleem duidelijk. Bij ’t opstuiven v.d piste heb ik de tijd niet genomen om m’n ABS af te zetten, en dat wordt nu meer dan duidelijk. Ik rem uit alle macht, maar de dikke boxer dendert gewoon verder, over de middenlijn reeds, ik zit al aan de linkerkant v.d weg, hoop dat elk moment er toch wat rembeweging staat te komen, maar tevergeefs.
Ik ga bijna v.d piste af. Links ervan is een kleine gracht, zo’n 40cm diep.
Yes, ik sta net op tijd stil, met ’t voorwiel op enkele cm van die gracht.
Maar nee, net als ik dat denk glijd ’t voorwiel nog een cm of wat verder, de ondergrond brokkelt weg, en ’t voorwiel glijdt definitief in de gracht, zo’n 30cm lager. De GS, die al wat schuin tussen m’n benen stond gaat plots nog veel schuiner hangen, en ik kan m’n niet meer houden.
Boenk, op de stenen
Alles gebeurt op een seconde of twee tijd, je hebt bijna geen moment om iets anders te bedenken, misschien had ik gewoon de bocht moeten insturen, en terug naar z’n één gaan, maar op ’t moment zelf leek het me beter om te remmen, en te hervatten. Niet gelukt dus.
Dar sta je dan, op een piste, met een dikke GSA op z’n kleppendeksel liggend.
Ff zelf proberen om ‘m recht te krijgen resulteert gewoon in m’n voorwiel dat nog verder in die gracht glijdt, ik moet ‘m dus eerste een halve meter op de piste trekken, en dat kan ik in m’n eentje niet.
Ik wacht dus ff op Bart, al snel hoor ik enkele motards afkomen, het blijken Duitsers te zijn, waarschijnlijk diegenen die bij ’t begin v.d piste stonden te wachten.
Ze helpen me om met z’n drieën de GSA terug op de piste te trekken, en helpen ‘m daarna overeind. Ik dank de mannen uitvoerig, Bart komt aangereden, en ziet me nog net bezig de motor rechtop te zetten.
Buiten enkele krassen op ’t kleppendeksel heeft de GSA niets, en we rijden verder tot de top, zij ’t ietsje kalmer dan daarnet.
Tja, heb er geen foto’s van genomen, maar ik kan je verzekeren dat ’t ff een spooky moment was. Boven op de top sta ik nog te trillen op m’n benen van adrenaline. Ik doe m’n uitleg aan Bart, en zie ‘m denken “ja, da krijgde als ge gelijk ne zot een piste opstuift”, en kan ‘m eigenlijk geen ongelijk geven, Als je op de limiet van je kunnen gaat balanceren is een klein iets voldoende om je over de ran te duwen, hier gelukkig niet letterlijk!
Anyway, boven geniet ik nog is van ’t uitzicht.
Aan de andere kant v.d top kun je na enkele km rechtsaf draaien, de Assieta route op.
Bart ziet ’t niet zitten, genoeg steenpiste voor vandaag zegt hij. Hij heeft gelijk, en we rijden de berg af via de asfaltweg, da’s ook geen straf hoor.
Eens in de vallei gaat ’t gas weer open, heerlijke brede baan met mooie lopende bochten tot boven op Sestriere, genieten dus.
16u00: Ik zie een snackbar, en vraag Bart of ’t goed is om te stoppen, hij kinkt uitdrukkelijk van ja. De man ziet scheel van de honger, en bestelt dan ook twee broodjes, ik hou ’t bij één, da’s voldoende tot ’t avondeten. Na nog wat te zitten napraten gaan we weer verder, de baan naar de Colle di Sestriere op. Het skidorp zelf stelt niets voor, we rijden dan ook gewoon door, terug richting Oulx, en weer via de Col de Montgenèvre Frankrijk binnen.
Heel leuk rijden, zeker de afdaling vanuit Sestriere naar Oulx is een aanrader, en een uurke later staan we, na een lang dagje, weer op de camping.
We ontdoen ons van onze motokledij, trekken ’t luchtmatras uit de tent, en plaatsen onze slaapmatjes, dat zal al vele beter slapen dan dat lek onding. Nu is ’t nog wat genieten van ’t zonnetje, ’t is niet heet maar gewoon aangenaam warm vandaag.
Nog wat ronddolen, een uitgebreid douchke nemen, en we zijn klaar om in ’t locale gehucht te gaan eten. Blijkt toch niet dat ’t al gesloten is zeker! Miljaar!
Lap, wat nu gedaan, dan maar terug de motorvest aan, en naar Briançon stad op zoek naar een open restaurant. Gelukkig vinden we nog iets, ’t is wel een chick ding, maar daar veeg ik m’n voeten aan, we nemen plaats op ’t terras en genieten van een weliswaar lichte maar lekkere maaltijd. Ohja, en de beste crème brullé die ik van m’n leven al gegeten heb.
’t Is al laat, en donker wanneer we terug op de camping geraken, de rit van vandaag heeft z’n sporen nagelaten, niet alleen op mijn GSA, maar ook bij ons. We zijn moe.
We kruipen al snel de tent en onze slaapzakken in, en wat later gaan de oogjes toe, ’t was de moeite vandaag…
Grtz, Philip!